Veelgestelde vragen

Rond wonen

Er zijn inderdaad andere manieren om een woning te huren in Brussel. Hulp nodig bij de zoektocht naar een huurwoning? Raadpleeg het Gewestelijk Huisvestingsportaal

De BGHM is enkel bevoegd voor de verhuur van sociale woningen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Wilt u een woning kopen in dit gewest? Neem dan contact op met het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

U vindt de gegevens van het Woningfonds op de portaalsite Huisvesting: http://huisvesting.brussels/wie-doet-wat

 

Kandidaat-huurders

U kan als klagende partij beroep aantekenen bij de BGHM in volgende gevallen:

  • De OVM beschouwt uw klacht als onontvankelijk.
  • De OVM verklaart uw klacht als ongegrond.
  • Uw klacht werd gedeeltelijk aanvaard en u meent als klagende partij hiermee geen voldoening te krijgen.

Als u in beroep gaat, stuurt u dit met aangetekende brief op naar de BGHM (zie onderstaande gegevens) of brengt u dit op hetzelfde adres binnen tegen afgifte van een ontvangstbewijs.

Onze gegevens:

Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij
t.a.v. de Directeur-generaal
Jourdanstraat 45-55
1060 Brussel

Zodra de OVM u op de hoogte brengt van haar beslissing, heeft u 30 dagen de tijd om beroep aan tekenen. De termijn van 30 dagen loopt vanaf de dag na de verzending door de OVM.

De BGHM neemt binnen de 60 dagen een beslissing en brengt de klagende partij ervan op de hoogte. Als we u binnen deze termijn niet op de hoogte brengen van de genomen beslissing wordt het beroep als gegrond beschouwd. Dat betekent dat u als klagende partij gelijk krijgt.

Een klacht is pas geldig en wordt pas behandeld als hij aangetekend verstuurd werd naar de Openbare Vastgoedmaatschappij of ter plaatse ingediend werd bij die OVM tegen afgifte van een ontvangstbewijs.

Vermeld bovenaan als onderwerp van uw brief dat het om een klacht gaat. De klacht moet ondertekend zijn door de klagende partij of zijn raadsman.

Vervolgens maakt de OVM de klacht over aan de sociaal afgevaardigde. Die neemt de mening van beide partijen in overweging en doet eventueel een voorstel om de kwestie op te lossen. Hij neemt zelf echter geen beslissing over de klacht en adviseert dus enkel. Een raadsman of pleitbezorger naar keuze kan natuurlijk de klagende partij vergezellen. In dit geval moet u de OVM wel vooraf op de hoogte brengen.

Binnen 30 dagen na ontvangst van de klacht moet de OVM de klagende partij laten weten of zijn klacht ontvankelijk is. Ontvangt u binnen deze termijn geen antwoord van de OVM? Dan wordt de klacht hoe dan ook als ontvankelijk beschouwd.

Binnen de 90 dagen moet de Raad van Bestuur van de OVM een beslissing nemen over de grond van de klacht. Als de klagende partij binnen deze termijn geen antwoord krijgt, wordt de klacht als gegrond beschouwd. Dat wil dus zeggen dat de klagende partij gelijk krijgt.

Beslist men een vrijwillige bemiddeling op te starten terwijl er al een klacht werd ingediend? Dan wordt de termijn van 90 dagen, toegekend aan de OVM, opgeschort tot het einde van de procedure van vrijwillige bemiddeling. Die opschorting mag niet langer dan 6 maanden duren.

Meer informatie vindt u in de rubriek Klachten op onze website.

Een Openbare Vastgoedmaatschappij (OVM) moet u via een aangetekende brief op de hoogte brengen van de schrapping van uw kandidatuur. U kan dan bij dezelfde maatschappij een aanvraag indienen om uw schrapping ongedaan te maken. Als u het niet eens bent met de reden van de schrapping, kan u bij hen ook een klacht indienen (zie artikel 76 van de Brusselse Huisvestingscode).

Voor meer informatie over de klachtenprocedure, kunt u terecht in de rubriek Klachten op onze website

Bij een adreswijziging moet u als kandidaat-huurder voor een sociale woning in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest binnen de 2 maanden na die wijziging, uw referentiemaatschappij op de hoogte brengen. Uw referentiemaatschappij is de OVM waarbij u het inschrijvingsformulier indiende.

Ons werkgebied betreft enkel sociale woningen gelegen in de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Als u niet in België woont, kan u zich niet inschrijven als kandidaat-huurder voor een sociale woning in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Wil u zich inschrijven? Dan moet minstens één gezinslid – dat geen kind ten laste is – ingeschreven zijn in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister van een Belgische gemeente. Zodra u dit in orde hebt gebracht, kan u opnieuw contact met ons opnemen.

Raadpleeg intussen het Gewestelijk Huisvestingsportaal voor hulp bij uw zoektocht naar een woning.

Contacteer de OVM’s waarbij u zich inschreef voor een stand van zaken. Houd er wel rekening mee dat de wachtlijsten voortdurend evolueren naargelang de voorkeurrechten van de kandidaten.

De voorwaarde in verband met de wettigheid van het verblijf, wordt enkel nagegaan voor de kandidaat-huurders en dat tot het moment waarop de woning wordt toegewezen.  Voor een geldige inschrijving volstaat het dat één gezinslid (geen kind ten laste) een bewijs van wettig verblijf kan voorleggen.

Wilt u zich schrappen van de wachtlijsten? Neem contact op met uw referentiemaatschappij. Dat is de OVM waarbij u het inschrijvingsformulier indiende.

De gegevens van al onze openbare maatschappijen vindt u hier.

Als u een verzoek tot afwijking wil indienen om sneller een sociale woning te krijgen, contacteert u best de OVM’s waarbij u ingeschreven bent. Zij kunnen voor u een verzoek tot afwijking indienen, eventueel vergezeld van een sociaal rapport of een ander document dat uw situatie verklaart.

Als het verzoek tot afwijking niet aanvaard wordt en de voorrang dus geweigerd wordt, kan u als kandidaat-huurder geen beroep aantekenen.

Een verzoek tot afwijking vragen, betekent dat men overweegt om voorrang te geven aan een bepaalde kandidaat bij de toewijzing van een woning. Enkel de OVM kan een dergelijk verzoek indienen, niet de BGHM.

Het gaat steeds om individuele gevallen en dringende, uitzonderlijke omstandigheden waarin het noodzakelijk lijkt om af te wijken van de volgorde van toekenning van een woning. Als de OVM beslist om een verzoek tot afwijking te doen, legt zij uw dossier voor aan de sociaal afgevaardigde. De OVM neemt dus de beslissing, maar ze heeft het akkoord van de sociaal afgevaardigde nodig om af te wijken van de normale volgorde.

De BGHM heeft geen recht om voorstellen in te dienen voor de afwijking of de toewijzing van sociale woningen.

Zodra u als kandidaat bent ingeschreven, komt u op een wachtlijst terecht. Uw plek op die wachtlijst hangt af van het aantal voorkeurrechten en het type woning waar u recht op heeft. De woning moet immers geschikt zijn voor uw gezinssamenstelling. De wachttijd kan enkele maanden maar ook enkele jaren bedragen.

Wilt u zich inschrijven als kandidaat-huurder van een sociale woning in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest? Vraag dan eerst een origineel inschrijvingsformulier aan. Dat kan bij de BGHM of bij een Openbare Vastgoedmaatschappij.

Stuur dan het ingevulde inschrijvingsformulier – het origineel, geen kopie – inclusief de vereiste documenten aangetekend per post op naar de Openbare Vastgoedmaatschappij (OVM) van uw keuze.

U mag de documenten ook binnenbrengen op het adres van de OVM’s van uw keuze. Vraag in dat geval om een ontvangstbewijs. Uw inschrijving kan niet via e-mail gebeuren. De maatschappij waarbij u uw aanvraag indient, wordt dan uw referentiemaatschappij. U kan wel meteen aangeven bij welke andere OVM’s u zich nog wilt inschrijven.

Huurders

De wet bepaalt dat de vooropzeg 3 maanden bedraagt. Als u aan uw OVM een kortere vooropzeg vraagt, kan die dat eventueel wel toestaan. De OVM’s zijn echter niet verplicht om een kortere vooropzeg toe te staan.

Gedwongen mutatie is niet van toepassing op 70-plussers.

Personen met een erkende handicap en personen die 65 jaar of ouder zijn op de dag dat de huurovereenkomst ingaat, genieten van een huurovereenkomst van onbepaalde duur. 

Als dat het geval is voor iemand in uw gezin, zult u dus een huurovereenkomst van onbepaalde duur tekenen. In alle andere gevallen gaat het om een huurovereenkomst van bepaalde duur.

Een sociale woning is bestemd als woonst. Elke wijziging van de bestemming of het gebruik ervan – zelfs gedeeltelijk – moet vooraf goedgekeurd worden door de verhuurder, uw Openbare Vastgoedmaatschappij dus. Als u een beroepsactiviteit wilt uitoefenen in uw sociale woning, moet u dus eerst de toestemming vragen aan uw OVM. Als die toestemt, moet ze ook nog het akkoord van de BGHM vragen.

Sociale huisvesting is geregionaliseerd. Uw inschrijving voor sociale woningen in Wallonië of Vlaanderen geldt niet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. U moet dus een nieuw verzoek indienen bij een OVM  in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Als u ons uw adres bezorgt, bezorgen wij u per post een inschrijvingsformulier en een infobrochure. U vindt ook meer info in de rubriek Inschrijvingen op deze website.

Er zijn drie mogelijke waarborgen:

1) Storting in speciën waarna het bedrag op een individuele rekening op naam van de huurder wordt gestort

In dit geval bedraagt de waarborg tweemaal de reële huurprijs, zoals bepaald in artikel 15 van de standaard huurovereenkomst. Het bedrag van de huurwaarborg moet minstens 429,95 euro en maximaal 1.289,83 euro zijn (bedragen voor 2018).

De huurder stort het bedrag van de waarborg in 1 keer op de rekening van de verhuurder. Een gespreide betaling van de huurwaarborg is niet mogelijk. Vervolgens stort de verhurende maatschappij het bedrag op een individuele rekening geopend op naam van de huurder. De rente wordt gekapitaliseerd aan de huurder.

Op verzoek van de betrokken huurder kan het bevoegde OCMW het bedrag van de huurwaarborg aan de huurder voorschieten. Daarna stort de huurder het bedrag op de rekening van de verhuurder die het op zijn beurt op een individuele rekening geopend op naam van de huurder zet. 

Om van deze mogelijkheid gebruik te maken, moet de huurder voldoen aan de vereiste toekenningsvoorwaarden voor OCMW-tussenkomst wat betreft de samenstelling van een huurwaarborg.

2) Bankwaarborg

Een bankwaarborg bedraagt driemaal de reële huurprijs, zoals bedoeld in artikel 15 van de standaard huurovereenkomst. De waarborg mag in dit geval niet lager zijn dan 429,95 euro en niet hoger dan 1.289,83 euro (bedragen voor 2018).

Voordelig voor u als huurder is het feit dat u een bankwaarborg progressief kan samenstellen. Dat wil zeggen dat u gedurende maximum 36 maanden constante maandelijkse betalingen kan doen om zo tot het totaalbedrag te komen.

De financiële instelling of bank staat in dit geval borg voor het totaalbedrag vanaf het moment dat de huurovereenkomst ingaat. Kiest u als huurder voor een bankwaarborg? Dan richt u zich tot de bank waarbij u een rekening hebt waarop uw beroeps- of vervangingsinkomen wordt gestort.

Als u als huurder niet langer uw beroeps- of vervangingsinkomen bij de bank in kwestie stort, mag deze meteen het totaalbedrag van de huurwaarborg opeisen, los van de mogelijkheid om dit over te brengen naar een andere financiële instelling.

De financiële instelling kan een bankwaarborg niet weigeren omwille van de kredietwaardigheid van de huurder. De huurder is geen enkele debetrente noch kosten verschuldigd aan de financiële instelling. De bank keert de rente uit aan de huurder zodra de huurwaarborg volledig is terugbetaald.

De financiële instelling beschikt over de voorrechten van het gemeen recht ten opzichte van de huurder als die zijn verplichte, constante maandelijkse betalingen, niet naleeft.

De bank vult een formulier in dat bevestigt dat er een huurwaarborg werd toegekend en dat u aan de eigenaar moet bezorgen.

3) Bankwaarborg die voortkomt uit een standaard huurovereenkomst tussen een OCMW en een financiële instelling

In dit geval bedraagt de waarborg driemaal de reële huurprijs, zoals bedoeld in artikel 15 van de standaard huurovereenkomst. De huurwaarborg moet bovendien minstens 429,95 euro en maximum 1.289,83 euro zijn (bedragen voor 2018).

Gezien de overeenkomst tussen het OCMW en de bank verbindt de bank zich ertoe de eigenaar het bedrag van de bankwaarborg te betalen in naam van het OCMW, als de betrokken huurder zijn verplichtingen niet nakomt.

Dit type bankwaarborg verschilt van de vorige onder meer door het feit dat het OCMW zélf de aanvraag voor de bankwaarborg indient bij een financiële instelling. Dat moet niet noodzakelijk de bank van de betrokken huurder zijn. Die bank kent vervolgens de bankwaarborg toe aan de verhuurder.

Deze financiële instelling vult een formulier in dat aan de verhuurder bevestigt dat er een huurwaarborg is toegekend. Dit formulier overhandigt u aan de eigenaar. De tussenkomst van het OCMW moet niet vermeld staan op het formulier.

Het gaat niet om een morele borgstelling. Het OCMW moet de fondsen niet mobiliseren bij de financiële instelling.

We lezen op http://www.ocmw-info-cpas.be/:

“De bankwaarborg is een kredietvorm waarmee een bank zich ertoe verbindt een bepaald bedrag te betalen voor rekening van haar klant (het OCMW) indien deze laatste (eigenlijk de begunstigde van de huurwaarborg) een verplichting niet zou nakomen (de huur betalen binnen de vastgestelde termijnen, het gehuurde goed onderhouden, de herstellingen die hem ten laste vallen uitvoeren, het pand in goede staat teruggeven na afloop van de huurovereenkomst, ...) waartoe hij zich heeft verbonden ten opzichte van een derde (de verhuurder). In dit systeem dient het OCMW zelf geen fondsen te blokkeren om de goede uitvoering te waarborgen van de verplichtingen van de persoon die de toekenning van een huurwaarborg gevraagd heeft.”

enlightenedOpmerking

Men is verplicht om bovenstaande 3 vormen van huurwaarborg aan de huurder voor te stellen.

Als de huurder geen keuze maakt, kan men hem voorstellen om als waarborg 3 maanden huur te betalen. Hij mag ook een derde hiervan betalen bij de ondertekening en het saldo opdelen in maximaal 12 maandelijkse schijven. Dat was namelijk het systeem vóór de hervorming van de huurwaarborg.

Hiervoor moet wel een bijlage ondertekend worden. De waarborg plaatst men dan op een geblokkeerde rekening na betaling van het saldo.

Morele borgstellingen zijn niet toegelaten in de sociale huisvestingssector. De structuur van het huurwaarborgsysteem ligt vast in artikelen 13, 14 en 40 van de BBHR van 26 september 1996 en artikel 23 van de standaard huurovereenkomsten van onbepaalde en bepaalde duur.

De waarborg wordt betaald opdat de huurder zijn verplichtingen zou nakomen. Het besluit bepaalt 3 soorten huurwaarborg. De huurder beslist zelf welke vorm van waarborg op hem van toepassing is. Verder bestaat er ook nog een bijzondere vorm van huurwaarborg, enkel van toepassing op coöperatieve vennootschappen van huurders.

In huurcontracten van sociale woningen die ondertekend werden voor 1 januari 1994 staat niets over de belegging van de huurwaarborg of over de kapitalisatie van de rente. Als u zich in dat geval bevindt, kunt u meer informatie vinden via deze link.

  • We bekijken artikel 1752 bis van het Burgerlijk Wetboek, ingevoerd door de wet van 29 december 1983 die op 1 januari 1984 van kracht werd, dat de huur van onroerend goed bespreekt. Dit artikel is enkel van toepassing op huurovereenkomsten die maximaal 9 jaar gelden.

Hier lezen we dat wanneer men een waarborg in cash stort, men deze op een rekening op naam van de huurder zet en dat de rente op deze waarborgsom gekapitaliseerd wordt. Er zijn geen sancties voorzien als de waarborg niet wordt gestort.

Een huurovereenkomst in de sociale huisvestingssector is echter een overeenkomst van onbepaalde duur (tot en met 31/12/2012), vanaf 1 januari 2013 worden de afgesloten huren in principe een huur van bepaalde duur.

Dit artikel 1752 bis is dus niet van toepassing op de overeenkomst ondertekend door de huurders van de sociale woning, aangezien we dit niet als een maximale huurperiode van 9 jaar kunnen beschouwen.

  • Vervolgens bekijken we de wet van 20 februari 1991 die de wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek voor huishuur beschrijft, van kracht sinds 28 februari 1991.

Volgens deze wet geldt voor alle huurovereenkomsten van een hoofdverblijfplaats dat wanneer er een waarborg in cash gestort wordt, deze op een rekening op naam van de huurder gezet wordt.

De rente op de waarborgsom wordt bovendien gekapitaliseerd. Als de waarborg niet wordt gestort, zijn er geen sancties voorzien.

Deze bepalingen zijn enkel van toepassing op de overeenkomsten afgesloten na de inwerkingtreding van de wet op 28 februari 1991. Voor huurovereenkomsten vóór 28 februari 1991 ondertekend door de sociale huurders, zijn de bepalingen van deze zelfde wet i.v.m. de huurwaarborg niet van toepassing.

  • De wet van 13 april 1997 wijzigt dan weer de bepalingen van de wet van 20 februari 1991 wat betreft de huurwaarborg.

Deze wet voorziet wél een sanctie als de waarborg niet wordt gestort op een rekening geopend op naam van de huurder. Deze sanctie houdt in dat de verhuurder aan de huurder rente betaalt aan het gemiddelde tarief van de financiële markten op het waarborgbedrag vanaf de overhandiging ervan. Deze rente wordt gekapitaliseerd.

Vanaf de dag echter waarop de huurder de verhuurder in gebreke stelt voor de niet-uitvoering van de verplichte storting, is de verschuldigde rente gelijk aan de wettelijke rente op de huurwaarborg.

Deze wet wijzigt de wet van 20 februari 1991 die niet van toepassing is op overeenkomsten afgesloten vóór 28 februari 1991. Deze sanctie beschreven in de wet van 13 april 1997 is niet van toepassing op overeenkomsten ondertekend door de sociale huurders vóór 28 februari 1991.

  • De reglementering voor de sociale huisvestingssector nam gelijkaardige bepalingen aan deze in het Burgerlijk Wetboek op (verplicht storten en kapitalisatie van de rente) door een besluit van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 december 1993.

Deze bepalingen zijn van kracht sinds 1 januari 1994. Ze voorzien geen sanctie als de waarborg niet door de verhuurder wordt gestort op een rekening geopend op naam van de huurder.

  • Bij gebrek aan een specifieke bepaling die afwijkt van het gemeen recht, wordt verwezen naar het Burgerlijk Wetboek.

De enige sanctie die in het geval van niet-storting van de huurwaarborg wordt voorzien, werd in het Burgerlijk Wetboek opgenomen door de eerdergenoemde wet van 13 april 1997 van toepassing op huurovereenkomsten afgesloten na 28 februari 1991.

Conclusie:

Wij menen dat volgens deze reglementeringen er geen reden is om het verzoek in verband met de rente van de huurders die een huurovereenkomst hebben afgesloten met een OVM vóór 28 februari 1991 toe te wijzen.

Als een OVM echter de huurwaarborg op een geblokkeerde rekening stort op naam van de huurder, terwijl ze dit op basis van deze reglementering niet verplicht was, zal de rente worden gekapitaliseerd aan de huurder vanaf de dag waarop het bedrag werd gestort.

U kunt alleen een mutatie vragen van uw woning bij de OVM waarmee u uw huurcontract ondertekend heeft. Er vinden geen mutaties plaats tussen de verschillende OVM’s.

Als u bij een andere OVM een sociale woning wil huren, moet u zich als kandidaat‑huurder inschrijven bij die maatschappij met een origineel exemplaar van het inschrijvingsformulier.

Eerst bekijken we de datum van inschrijving als sociaal huurder bij de openbare vastgoedmaatschappij (OVM): voor of na 1 januari 2002.

Cf. artikel 4, §4 en §2 van de BBHR van 26 september 1996:

§ 4 – “De standaard huurovereenkomst bevat een clausule die bepaalt dat de maatschappij de huurovereenkomst niet mag beëindigen zonder een met reden omklede vooropzeg. In de huurovereenkomst moet worden vermeld dat deze zal worden beëindigd middels een vooropzeg van 6 maanden, wanneer de huurder of een gezinslid de volle eigendom verwerft, of erfpachter of vruchtgebruiker wordt van een onroerend goed dat bestemd is als woning of voor beroepsdoeleinden, en dit voor huurovereenkomsten gesloten vóór 1 januari 2002, waarvan het kadastraal inkomen hoger ligt dan 250,00 €, behalve indien de maatschappij de kandidaat-huurder toestaat om ter plaatse te blijven volgens dezelfde bepalingen als diegene in artikel 4, § 2.”

§ 2 – “De kandidaat-huurder of een gezinslid mogen niet in volle eigendom, als erfpachter of vruchtgebruiker een onroerend goed bezitten dat bestemd is als woning of voor beroepsdoeleinden. De maatschappij kan, voor individuele gevallen en in uitzonderlijke omstandigheden, afwijken van onderhavige bepaling op basis van een gemotiveerde beslissing die wordt genomen na advies van de sociaal afgevaardigde.”

Dit wil zeggen:

a) Als u als huurder de woning op 1 januari 2002 of later betrok, mag u geen eigenaar, erfpachter of vruchtgebruiker zijn of worden van een onroerend goed dat bedoeld is als woning of voor uw beroep.

Is dit toch het geval? Dan wordt de huurovereenkomst beëindigd met een vooropzeg van 6 maanden. De OVM kan evenwel een afwijking toestaan via de procedure beschreven in artikel 4§2 en de huurder zo in zijn sociale woning laten verblijven. Deze beslissing moet gemotiveerd zijn op basis van uitzonderlijke omstandigheden en op advies van de sociaal afgevaardigde.  

b) Als u als huurder de woning vóór 1 januari 2002 betrok, is de regeling anders. In deze situatie hangt de beslissing af van het kadastraal inkomen van het onroerend goed waarvan u eigenaar, erfpachter of vruchtgebruiker bent en dat als woning of voor uw beroep bedoeld is.

Is dat kadastraal inkomen lager of gelijk aan 250 euro? Dan is er geen probleem en kan u in de woning blijven wonen als sociaal huurder. Is het kadastraal inkomen hoger dan 250 euro? Dan komt er in principe een einde aan de huurovereenkomst, met een vooropzeg van 6 maanden.

De OVM kan eventueel een afwijking toestaan via de procedure beschreven in artikel 4§2 en de huurder toch in zijn sociale woning laten verblijven. De OVM moet haar beslissing dan motiveren op basis van uitzonderlijke omstandigheden en op advies van de sociaal afgevaardigde.

Bijzonder geval: de aankoop via lijfrente

Als de huurder de verkoper is:

Als de huurder die ook eigenaar is, het onroerend goed verkoopt, maar nog lijfrente ontvangt, wordt hij niet meer als eigenaar beschouwd. Hij kan dan in zijn sociale woning blijven, tenzij hij vruchtgebruik heeft van het onroerend goed.

Heeft hij vruchtgebruik? In dat geval kan de OVM zich baseren op de voorwaarden in artikel 4§4 van de BBHR van 26 september 1996 en de huurovereenkomst beëindigen.

Als de huurder de koper is:

In dit geval wordt de koper die de lijfrente betaalt, de eigenaar. De OVM kan op basis van de voorwaarden bepaald in artikel 4§4 van de BBHR van 26 september 1996 de huurovereenkomst beëindigen.

Lees meer over verkoop met lijfrente op de website van de Belgische notarissen

Het wettig verblijf is niet van belang voor een (lopende) huurovereenkomst. De voorwaarde in verband met de wettigheid van het verblijf wordt enkel nagegaan voor de kandidaat-huurders, tot het moment van toewijzing van de woning.

Bovendien volstaat het voor kandidaten dat één gezinslid (geen kind ten laste) een wettig verblijf voorlegt.

OVM

Er zijn 16 OVM's in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

OVM is de afkorting van Openbare Vastgoedmaatschappij. Een OVM is een lokale maatschappij die de sociale woningen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beheert en toekent aan kandidaat -huurders